Draailier Werkplaats

De draailier van Ward de Beer

Muziekatelier Ward de Beer bestaat dit  jaar 50 jaar.

2010 Is tevens het jaar waarin het alweer 25 jaar geleden is dat Ward gestorven is. Helaas ken ik deze bijzondere man slechts van de verhalen die ik over hem hoor, zelf heb ik hem niet gekend.

Voor het derde jaar volg ik aan de school draailierles. Ik ben draailierbouwer en autodidact qua speltechniek. Het leek me daarom na ruim 27 jaar (zolang bouw ik al) geen slecht idee eens les te gaan nemen om de speltechniek te verbeteren en zodoende ook de kwaliteit van mijn instrumenten te kunnen verbeteren! 

Muziekatelier Ward de Beer is bezig met het samenstellen van een tentoonstelling over Ward, naast begenadigd muziekpedagoog ook amateur bouwer van diverse instrumenten. Zo heeft Ward ook een draailier gemaakt.

Aan mij viel de eer te beurt dit unieke instrument (zover ik weet is dit de enige draailier die Ward gebouwd heeft) te restaureren.

Hier volgt mijn verslag van de restauratie.

    

Ward de Beer met draailier rond 1980.      Tentoonstelling 2011      Wim met draailier 2010


Toen ik begin mei 2010 de draailier onder ogen kreeg – hij lag “nonchalant” op tafel toen ik het leslokaal inkwam met mijn eigen draailier- wist ik niet van wie dit instrument was.“Kijk”’, zei Lieve,”Da’s er ene van den Ward”! U begrijpt dat mijn aandacht direct was getrokken. Ik had al wel eens van Lief gehoord dat Ward een draailier gebouwd had, maar het feit dat hij nu plotseling voor me op tafel lag, maakte me zeer nieuwsgierig.

Een eerste vluchtige controle wees uit dat het instrument de afgelopen decennia toch een en ander had meegemaakt……….

Het wiel lag geheel los, een deel van het bovenblad en zijkant waren kapot, delen van het instrument lagen los in het klavier………, kortom, onbespeelbaar in zijn huidige toestand.

“Ik wil hem best eens onderhanden nemen”, zei ik voorzichtig. “Ja, ja, da’s in orde” was het antwoord van Lief, “Ik zal het eens voorleggen”. Aldus geschiedde, en de draailier van Ward reisde enige weken later onder mijn armen mee naar mijn draailierwerkplaats.

 

Bij het wegnemen van enkele loszittende stukjes hout rondom het linker klankgat, ontdekte ik het bouwersetiket. Hieruit blijkt dat de draailier is gebouwd door Edward de Beer te Antwerpen in het jaar 1977! Tot nog toe was er een schatting gedaan van ergens in de eerste helft van de jaren '80.
Ik ben begonnen met het oude, loszittende wiel uit te nemen en met 2 plankjes esdoorn te bekleden en te voorzien van een flens met schroefdraad.

Daarna op de as vastgezet en in de houtdraaibank gezet en mooi rond afgedraaid. Zoals tegenwoordig gebruikelijk het wiel “bekleed” met een esdoorn bandje en dit ook mooi afgedraaid in de draaibank. Zodoende wordt een goed werkend strijkvlak verkregen.

 

Vervolgens ben ik het klavier gaan bestuderen. In het klavier lagen wat losse onderdelen; een soort cello kam en 2 kleine houten wigjes. Opvallend was dat de eerste 2 toetsen misten. Een van de onderste rij en een van de bovenste. Nadere bestudering van het klavier wees uit dat het klavier oorspronkelijk in F (fa) stemming was gebouwd; zeer ongebruikelijk voor een draailier. Toen ik dat besefte vielen ook ineens de “ puzzelstukjes”  in elkaar. De “ cello-kam”  behoorde op de plaats te staan van waar eerst de G (sol) toets had gezeten, en dan via de oorspronkelijke gaten voor de g-toets  te worden vastgezet met de houten wigjes. Aldus ontstaat dan een meer gangbaar klavier in G (sol)! Zo gedacht, zo gedaan; het raadsel opgelost.

             

Nu het wiel en het klavier in orde waren kon worden begonnen aan het weer terug opbouwen van het instrument met de kam en de snaarhouder.

Ook dit zorgde weer voor een raadsel. Het oorspronkelijke instrument is uitgevoerd met een

“hondje” , u weet wel dat eigenaardig stukje hout in een van de kammen gestoken dat een ritmisch geluid teweeg kan brengen wanneer je met de juiste “slag” het wiel ronddraait. Echter, de snaarhouder was niet voorzien van het gebruikelijke kleine stemknopje waarmee dit hondje moet worden afgeregeld……….. bijzonder. Hoe heeft Ward dan indertijd gezorgd voor de ritmische slag van zijn draailier?

Goed, als aanvaardbare oplossing heb ik dan zelf een regelaartje gemaakt, geheel in de stijl van de andere stemknoppen, alleen vele malen kleiner. Ook het hondje heb ik opnieuw moeten snijden.


 

Tenslotte is het instrument geheel voorzien van nieuwe snaren. De oude waren te verdroogd om nog goed te kunnen functioneren. De bourdon kam heb ik nog wat moeten bijwerken. Het nieuwe wiel is namelijk enkele millimeters groter geworden waardoor de snaren op de oude bourdonkam te zwaar op het wiel kwamen te liggen. Ik heb hiervoor een nieuw stukje op de bestaande kam gelijmd. Overigens heb ik om dezelfde reden de kam voor de melodiesnaren  moeten verhogen.

 

Een spannend moment was het eerste aanstrijken van de snaren, het stemmen en tot slot het spelen van de eerste melodie na zoveel jaren! Het resultaat is vertederend. De draailier heeft die ruwe, robuuste klank die ik wel meer hoor bij instrumenten uit de jaren 70-tig; in de lage landen toch een periode van een renaissance van de volksmuziek en met name ook voor de draailier- en doedelzakbouw.